1: Start van de beleidsdoorlichting
Je staat aan het begin van een interessante exercitie genaamd ‘Beleidsdoorlichting’, die inzicht gaat opleveren in de doeltreffendheid, doelmatigheid, andere gevolgen (bijv. op regeldruk, milieu of gendergelijkheid) én verbeterpunten van het op jouw beleidsterrein gevoerde beleid (begrotingsartikel).
Een waardevolle exercitie dus, en wel om twee redenen:
-
Verbetering: als hulpmiddel om na te gaan of en waar het beleid kan worden verbeterd
-
Verantwoording: om na te gaan of sprake is (geweest) van value for money. Zo kan aan de Tweede Kamer worden uitgelegd of en in hoeverre doelen wel/niet gehaald zijn – en waarom.
Al het beleid dat mede wordt gevoerd op grond van één of meer beleidsartikelen uit de Rijksbegroting wordt periodiek (elke vier tot maximaal zeven jaar) bij elkaar gebracht in een beleidsdoorlichting. In de begroting wordt aangegeven welke beleidsdoorlichtingen de komende vijf jaar worden uitgevoerd
Wat is een beleidsdoorlichting?
Het is voor beleidsmakers van belang om te weten of beleid werkt en of dat efficiënt gebeurt. En ook: hoe het komt als dat niet, of niet geheel, het geval is. Daarom worden regelmatig evaluaties verricht van de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid en wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld van subsidieregelingen. Politici en ambtenaren op ministeries kunnen de uitkomsten gebruiken om goed overheidsbeleid te ontwerpen en om bestaand overheidsbeleid te verbeteren. Ook controleurs als de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer hebben informatie over de werking van beleid nodig. Zij moeten immers een oordeel kunnen vellen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid.
Informatie over de uitkomsten van beleidsevaluaties is in de praktijk vaak versnipperd aanwezig in uiteenlopende documenten. Er is meer dan ‘een nietje’ nodig om daar overzicht in te scheppen. Een beleidsdoorlichting is bedoeld om de informatie uit verschillende evaluaties samen te brengen, zodat er een overkoepelend beeld van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid ontstaat. Het is, met andere woorden, een syntheseonderzoek.
Een beleidsdoorlichting geeft – op basis van verrichte evaluatie- en andere onderzoeken – inzicht in:
-
de mate waarin het onderzochte beleid doeltreffend (effectief) en doelmatig (prestatie- en doelefficiënt) ;
-
de succesfactoren die het beleid doeltreffend en doelmatig hebben gemaakt;
-
de redenen waardoor de doeltreffendheid en doelmatigheid tekortschiet, zodat lessen kunnen worden getrokken voor de toekomst;
-
hoe het beleid eruit zou zien in de theoretische situatie met 20% minder middelen;
-
onbedoelde positieve dan wel negatieve neveneffecten die zijn opgetreden.
Basisbegrippenlijstje RPE
Beleidsdoorlichting: een syntheseonderzoek naar de doeltreffendheid en de doelmatigheid van een substantieel, samenhangend deel van het beleid, dat wordt gevoerd op grond van één of meer beleidsartikelen van de rijksbegroting;
Beleidsevaluatie: een onderzoek naar de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid;
Doeltreffendheid van het beleid: de mate waarin de beleidsdoelstelling dankzij de inzet van de onderzochte beleidsinstrumenten wordt gerealiseerd;
Doelmatigheid van het beleid: de mate waarin het optimale effect tegen zo min mogelijk kosten en ongewenste neveneffecten wordt bewerkstelligd.
Onafhankelijk deskundige: een inhoudelijk deskundige die geen verantwoordelijkheid draagt voor het te onderzoeken beleid;
Omdat de beleidsdoorlichting berust op onderliggende evaluaties, vergt dit een evaluatieprogrammering (-planning) in de jaren voordat de doorlichting wordt uitgevoerd.
Als een maatschappelijke doelstelling van een minister wordt gerealiseerd dankzij het beleid dat daarvoor is ingezet, is het beleid volgens de uitgangspunten van de RPE (Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek) effectief, ofwel: doeltreffend (artikel 1, lid d). We spreken hier niet voor niets over een maatschappelijke doelstelling. Want doelen die betrekking hebben op door het ministerie te leveren prestaties (bijvoorbeeld: het jaarlijks afgeven van een x aantal beschikkingen), zijn in principe niet de doelen die onderwerp zijn van een beleidsdoorlichting.
Als een minister beleid heeft ingezet en de effecten daarvan hadden niet op een goedkopere manier kunnen worden bereikt, is het volgens de uitgangspunten van de RPE efficiënt, oftewel: doelmatig. Ook als we kunnen vaststellen dat er met gegeven budget niet méér effecten van dezelfde kwaliteit tot stand gebracht hadden kunnen worden, is het beleid volgens de RPE doelmatig te noemen (RPE, artikel 1, lid e).
Verantwoordelijkheden ministers/departementen, Financiën en Tweede Kamer
De vakminister is verantwoordelijk voor de beleidsdoorlichtingen van zijn departement. Hij draagt zorg voor een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen van eens in de 4 tot maximaal 7 jaar.
Het is aan de Tweede Kamer om vakministers inhoudelijk aan te spreken op de doorlichtingen. De Tweede Kamer heeft de laatste jaren steeds meer aandacht voor beleidsdoorlichtingen. Om de overzichtsstudies nog beter bruikbaar te maken, heeft de Kamer de minister van Financiën gevraagd om een aantal wijzigingen door te voeren in de regels. Tegenwoordig moeten bijvoorbeeld voor de start van het onderzoek de opzet en vraagstelling van elke beleidsdoorlichting in het jaar vaan de Kamer worden gestuurd. Hiermee wil de Kamer bereiken dat zij beter in staat is om met het kabinet het gesprek aan te gaan over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid.
De minister van Financiën ziet toe op een doelmatige besteding van het overheidsgeld en is derhalve stelselverantwoordelijk voor de beleidsdoorlichtingen. Dat wil zeggen dat de regels – hier: de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) – in beheer liggen bij de minister van Financiën, en eventuele vragen van de Tweede Kamer over de regels of de werking van het stelsel door de minister van Financiën worden beantwoord. Vanuit deze rol is het van belang dat de Inspectie der Rijksfinanciën (IRF) betrokken is bij de opzet en uitvoering van een beleidsdoorlichting. De IRF kijkt mee of de regels met betrekking tot beleidsdoorlichtingen worden nageleefd en de vragen uit de RPE in de beleidsdoorlichting worden beantwoord en op basis van het onderliggende onderzoek (de juiste) uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid.
De 15 vragen die in de beleidsdoorlichting worden beantwoord
Kern van de beleidsdoorlichting is het rapporteren over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het onderzochte beleid. In de aanloop daarnaartoe dient de rationale achter het beleid te worden uitgelegd. Ook moeten mogelijkheden tot verbeteringen in kaart worden gebracht.
In een beleidsdoorlichting wordt antwoord gegeven op 15 onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen zijn geformuleerd in de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE). De RPE werkt de Comptabiliteitswet (CW) uit en helpt daarmee te borgen dat beleidsdepartementen hun beleid tijdig evalueren en daarmee inzicht bieden in de relevantie, doeltreffendheid en doelmatigheid ervan.
Box. De vijftien te beantwoorden vragen in een beleidsdoorlichting |
|
Stap 1A) Begin op tijd!
De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) schrijft voor dat elk beleidsartikel elke 4 tot 7 jaar wordt doorgelicht. Een paar tips in dat verband:
-
Rooster, bij het inplannen van een beleidsdoorlichting, twee tot drie jaar vóór de startdatum ervan een inventarisatie in van het beschikbare basismateriaal (evaluaties en andere beleidsrelevante onderzoeken). Eventuele extra benodigde evaluaties kunnen dan nog worden uitgevoerd. Het totale overzicht van geplande en uitgevoerde evaluaties staat in de evaluatiebijlage bij de departementale begroting.
-
Denk al bij de eerste vormgeving of aanpassing van beleid na over hoe je het beleid wilt gaan volgen (meten) met monitoring en evaluatie. Dat houdt allereerst in dat het instrumentarium en doelen helder zijn, net als de verwachte doeltreffendheid en doelmatigheid. Sinds 2018 vraagt artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet (CW 3.1) – van toepassing op beleidsvoorstellen die aan de TK worden gecommuniceerd – hier expliciet om. Ten tweede is flankerend aan 3.1 een evaluatieparagraaf vereist waarin wordt beschreven, of en hoe het voorstel zal worden geëvalueerd. Een goed doordachte evaluatieprogrammering kan daar deel van uitmaken of sluit daarop aan. Zo bewaak je dat er over een x-aantal jaar voldoende inzichten uit evaluaties beschikbaar zijn en de volgende beleidsdoorlichting (synthese) op voldoende gegevens steunt. De verbeterparagraaf in deze handreiking biedt op dit punt ook informatie.
Stap 1B) Beleg een startgesprek
Het initiatief voor de uitvoering een beleidsdoorlichting ligt meestal bij de verantwoordelijke beleidsdirectie. Om te beginnen kan een startgesprek worden gehouden met relevante partners.
Vraag in ieder geval:
- Een inhoudelijk expert van de beleidsdirectie.
- Een vertegenwoordiger van de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ);
- De dossierhouder van de Inspectie der Rijksfinanciën (IRF; als je deze persoon niet kent, kan een collega van FEZ je vast helpen).
Denk verder aan:
- Eventuele andere departementen – bijvoorbeeld als het beleid tijdens door te lichten periode verplaatst is van het ene naar het andere departement (bijv. Politie van BZK naar JenV), of er sprake is van gedeelde verantwoordelijkheid;
- Een eventuele kennisinstelling, afhankelijk van het onderwerp (bijv. PBL, CPB, WODC of de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken). Bij voorkeur wordt het startgesprek tijdig gevoerd, dat wil zeggen minstens achttien maanden voor publicatie van de beleidsdoorlichting .
Spreek met alle deelnemers aan het startgesprek duidelijk af wie vanaf dat moment verantwoordelijk is voor de planning, voortgang en uitvoering van de beleidsdoorlichting, en leg dit vast in een plan van aanpak. Dit geeft gedurende de rit houvast en helpt om tijdig een goede beleidsdoorlichting af te ronden.
Topics die verder aan de orde kunnen komen, zijn:
- De RPE-eisen waaraan een beleidsdoorlichting moet voldoen;
- Afbakening, risico’s en kansen van de doorlichting;
- Welk evaluatiemateriaal voorhanden is en hoe compleet dat is;
- Een eventuele vorige beleidsdoorlichting (aanpak, bevindingen en aanbevelingen);
- Globaal tijdpad, planning en budget;
- Taakverdeling: wie doet wat bij het schrijven van het Plan van aanpak (Stap 1C).
Stap 1C) Maak een Plan van Aanpak
De volgende stap in het proces is het opstellen van een plan van aanpak.
Het plan van aanpak geeft het volgende aan:
- Aanleiding, doelstelling en eventuele kosten van de beleidsdoorlichting
- De beleidsmatige en financiële afbakening van de beleidsdoorlichting: welke onderdelen van het beleidsartikel in de doorlichting worden meegenomen (à Q&A’s)
- Welke periode met de doorlichting wordt onderzocht
- Eerste inventarisatie van de beschikbare onderzoeksrapporten en eventuele gaten in dat materiaal
- Als er gaten zijn: een voorstel voor hoe hiermee in de doorlichting om te gaan (eventueel nog aanvullend onderzoek laten uitvoeren)
- De hoofdvraag en/of onderzoeksvragen
- Korte beschrijving van aanpak en methode, met daarin expliciete aandacht voor de wijze waarop zal worden gekozen uit beleidsopties indien er significant minder budget (-/- 20%) beschikbaar is, de zogenaamde 20%-besparingsvariant
- Keuze voor uitbesteden of zelf doen
- Keuzes inzake: welke onafhankelijke deskundige(n) betrokken wordt/worden en hoe/ op welke momenten? (bijv. in de begeleidingscommissie)
- Planning, kosten en budget
- Risico’s en kansen.
Dit plan van aanpak is meteen een goede basis voor de brief met opzet en vraagstelling van de beleidsdoorlichting (à Stap 2AB), die uiterlijk een week voor Prinsjesdag naar de Tweede Kamer moet worden gestuurd.
Spreek in het startgesprek duidelijk af, wie het plan van aanpak maakt.
Q&A’s
Welke onderdelen van het beleid vallen onder een doorlichting?
- Een substantieel en samenhangend deel van het beleid onder een begrotingsartikel wordt in de beleidsdoorlichting meegenomen.
- Ook als er weinig of geen geld gaat naar (delen van) het beleid, is een beleidsdoorlichting verplicht.
- Een beleidsdoorlichting stopt niet per se bij de grenzen van een beleidsartikel. De doorlichting kan betrekking hebben op een deel van een beleidsartikel dat op een departementale begroting staat, maar ook op delen van een aantal beleidsartikelen, zelfs over departementale grenzen heen.
Baken de doorlichting bij de start meteen helder af. Dit bevordert de transparantie en kwaliteit ervan en voorkomt dat tijdens de uitvoering discussie ontstaat over de afbakening.
Q1. Welk deel van het beleid moet worden doorgelicht?
Onder deze vraag vallen verschillende dilemma’s:
- Moet beleid waar geen uitgaven mee gemoeid zijn, in de berekening worden meegenomen, en zo ja hoe?
- Wat te doen met de uitgaven voor beleidsinstrumenten die inmiddels zijn afgeschaft?
- Wat te doen met de fiscale en premie-uitgaven die niet over het beleidsartikel lopen?
- Wat te doen met de apparaatsuitgaven, indien die niet in de begroting verbijzonderd zijn naar het onderzochte beleid?
Een beleidsdoorlichting dient volgens de RPE te gaan over “een substantieel, samenhangend deel van het beleid”. Dat wil zeggen dat in principe het volledige beleid dat ten grondslag ligt aan het doorgelichte beleidsartikel of de doorgelichte beleidsartikelen wordt meegenomen. Maar afwijken daarvan is op goede gronden mogelijk.
Vertaald naar de budgettaire indeling van een begrotingsartikel, wordt in de beleidsdoorlichting het beleid onderzocht dat gevoerd wordt op basis van de volgende beleidsinstrumenten:
- Alle uitgaven aan het gevoerde beleid, inclusief apparaatsuitgaven.
- Uitgaven aan financiële instrumenten, bijvoorbeeld subsidies, premie-uitgaven en apparaatsuitgaven
- Niet-belastingontvangsten
- Garantieregelingen (verplichtingen)
- Fiscale regelingen
Ook het beleid dat op basis van begrotingsfondsen wordt gevoerd (bijvoorbeeld het infrastructuurfonds) wordt in een beleidsdoorlichting meegenomen. Daarnaast alle wet- en regelgeving, inclusief de Europese regels die onderdeel zijn van het beleid. De bij de uitvoering van het beleid betrokken zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt’s) en de voor deze instellingen gedane rijksuitgaven vallen eveneens onder de beleidsdoorlichting.
De 20%-besparingsvariant betreft 20% van het budget op het artikel van de meest recente begroting. In de grondslag voor de 20%-variant hoeven, anders dan de doorlichting als geheel, niet de garantieregelingen te worden betrokken.
Soms gaat de beleidsdoorlichting eenvoudig over al het beleid binnen een beleidsartikel. Maar soms ligt het ingewikkelder, bijv. omdat het beleid onder een ander begrotingsartikel valt. Vermeld in de beleidsdoorlichting welk aandeel van het beleid wordt afgedekt. Die afdekking kan worden berekend over de uitgaven in de meest recente begroting, of de gemiddelde jaaruitgaven over de hele onderzochte periode. Gebruik bij die uitleg eventueel een verhelderend schema of figuur.
Onderbouw het niet betrekken van een onderdeel
Als je er voor kiest om delen van het beleid of van uitgaven niet mee te nemen, onderbouw dit dan duidelijk en transparant (zie ook Onderzoeksopzet naar Tweede Kamer sturen ).
Q2. Mogen verschillende artikelen tegelijk worden doorgelicht?
Je kunt meerdere beleidsartikelen in één beleidsdoorlichting behandelen. Dit heeft vooral zin als er veel inhoudelijke overlap en/of samenhang tussen de artikelen bestaat (ook interdepartementaal). Een voorbeeld is de beleidsdoorlichting Strategische luchttransportcapaciteit [link]
Q3. Kan een doorlichting zich ook richten op een deel van een beleidsartikel?
De bedoeling is om per beleidsdoorlichting een volledig begrotingsartikel af te dekken. Is dit niet het geval, geef dan aan welke onderdelen van het beleidsartikel wel c.q. niet worden meegenomen. Dit geldt zowel voor de toelichting bij de onderzoeksopzet aan de Tweede Kamer als voor de beleidsdoorlichting zelf.
Geef daarbij aan waarom het niet mogelijk of wenselijk is om een bepaald deel van het artikel door te lichten; en wanneer dat deel wél zal worden doorgelicht.
Q4. Wat te doen met stopgezette beleidsinstrumenten?
Omdat een beleidsdoorlichting het primaire instrument is voor het afleggen van verantwoording over en lessen trekken uit de doeltreffendheid en doelmatigheid van gevoerd beleid, maakt ook stopgezet beleid deel uit van een beleidsdoorlichting. Soms biedt de evaluatie van stopgezet beleid nog veel relevantie voor de toekomst, zeker als het gaat om veel gebruikte typen instrumenten zoals bijv. subsidies.
Q5. Wat als beleid en/of het beleidsdoel is veranderd?
Het kan voorkomen dat het onderzochte beleid en/of het doel van dat beleid ingrijpend is veranderd in de periode waarop de beleidsdoorlichting zich richt.
- Vermeld in dat geval duidelijk in de onderzoeksopzet die naar de Tweede Kamer gaat, hoe hiermee wordt omgegaan.
- Besteed ook in de beleidsdoorlichting zelf aandacht aan een tussentijdse verandering van het beleid of beleidsdoel. Als het beleid zelf is gewijzigd, maak dan een overzicht van de beleidsinstrumenten die de afgelopen jaren zijn afgevallen en van de nieuwe instrumenten die aan het beleid zijn toegevoegd, inclusief de informatie die over deze instrumenten beschikbaar is.
- Als een consequentie van de verandering is dat delen van het in de afgelopen jaren gevoerde beleid c.q. de daarbij gehanteerde beleidsinstrumenten niet worden meegenomen, vermeld dat ook.
Q6. Wat als de indeling van het beleidsartikel de afgelopen jaren ingrijpend is veranderd?
Begrotingsartikelen kunnen gedurende de onderzochte periode een andere indeling hebben gekregen, waardoor (een deel van) hetzelfde beleid onder een ander begrotingsartikel is komen te vallen. Op zichzelf hoeft dat voor een beleidsdoorlichting niet uit te maken.
Vermeld in de onderzoeksopzet voor de Tweede Kamer én in de beleidsdoorlichting duidelijk, onder welke begrotingsartikelen de beleidsinstrumenten in de onderzochte periode vielen.
Q7. Wat te doen met uitgaven onder een beleidsartikel die bijdragen aan het doel van een ander beleidsartikel?
Een voorbeeld zijn de apparaatsuitgaven onder artikel 1 ‘Belastingen’ van de begroting van het Ministerie van Financiën. Een deel van deze uitgaven wordt gedaan om beleid uit te voeren dat bijdraagt aan doelen van andere beleidsartikelen. Daarvan worden meestal de apparaatsuitgaven en uitvoeringskosten geschaard onder het betreffende andere beleidsartikel. Het resterende deel van de uitgaven wordt in principe wel in de doorlichting van artikel 1 meegenomen.
Q8. Wat te doen met Europees beleid?
Sommige beleidsonderdelen zijn gebaseerd op Europees beleid, bijvoorbeeld de implementatie van de EU-richtlijnen voor luchtkwaliteit. Ook dan is meenemen van dit beleid in een beleidsdoorlichting aan de orde. Het EU-beleid is namelijk formeel onderdeel van het Nederlandse beleid. Als anderen, bijvoorbeeld de Europese Commissie, inzicht over de resultaten van het beleid in kwestie voor Nederland verzamelen, dan kun je daarvan gebruik maken in de beleidsdoorlichting.
Q9. Wat als een beleidsdoorlichting waarschijnlijk niet mogelijk en/of niet zinvol is?
De Rijksbegrotingsvoorschriften voorzien in de mogelijkheid om in de begroting toe te lichten waarom een ministerie van mening is dat een beleidsdoorlichting niet mogelijk en/of zinvol is. Zo kunnen de belangrijkste doorlichtingsvragen soms al zijn beantwoord vanwege een overlappende verantwoordingsverplichting. In andere gevallen lijkt onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid niet mogelijk voor een bepaald beleidsartikel (bijvoorbeeld, omdat doelen niet in de invloedssfeer van de beleidsdirectie liggen, maar in die van een andere bestuurlijke eenheid).
Ook in gevallen als deze is het raadzaam om toch een beleidsdoorlichting uit te voeren; die behelst immers meer dan alleen inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid. Geef in zo’n geval onderbouwd aan, waarom onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid niet mogelijk is. Bespreek ook onder welke voorwaarden dergelijk onderzoek op termijn wél mogelijk is. Bij de uitwerking van het plan van aanpak en de communicatie richting de Tweede Kamer kan dit al uitgewerkt worden. Stem dit in ieder geval af met FEZ en de IRF.
Box. Periodes waar de gebruikte evaluaties over gaan
De evaluaties van afzonderlijke onderdelen van het beleid (bijv. verschillende instrumenten) hoeven niet allemaal over dezelfde periode te gaan. Met andere woorden: de evaluatieperiode mag verschillen tussen de beleidsonderdelen van het door te lichten begrotingsartikel. Zo verkeren onderdelen van het onderzochte beleid vaak in verschillende stadia. Soms zal een instrument de gehele voorgaande periode al hebben bestaan, in andere gevallen is het instrument pas een paar jaar oud. In dat laatste geval kan natuurlijk nooit over de hele doorlichtingsperiode worden teruggeblikt.
Stap 1D) Betrek de onafhankelijke deskundige(n)
De RPE vereist dat een of meer onafhankelijke deskundigen bij de beleidsdoorlichting worden betrokken, om:
- onafhankelijk oordeel over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting te geven; en
- Een toelichting te geven op zijn of haar betrokkenheid en inbreng bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting.
Dit zijn minimumvereisten, die in de praktijk verschillend kunnen worden ingevuld. In wat volgt enkele aanwijzingen.
Eerste algemene tip is om de onafhankelijke deskundige(n) zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces bij de opzet en uitwerking van de beleidsdoorlichting. Dit om de kwaliteit van de doorlichting gedurende het traject te helpen waarborgen. Maak duidelijke afspraken over zijn/haar/hun rol en taken en leg deze (contractueel) vast.
Wie kan worden ingeschakeld?
In de RPE wordt een onafhankelijke deskundige beschreven als een persoon die inhoudelijke kennis van zaken heeft, maar niet verantwoordelijk is (of is geweest) voor het beleid dat wordt doorgelicht.
Onafhankelijke deskundigen mogen niet afkomstig zijn uit het betreffende beleidsdepartement, maar medewerkers van inspectiediensten of rijks-kennisinstellingen met een onafhankelijke status (denk aan het PBL of het CPB) kunnen wel als onafhankelijke deskundige optreden. Hetzelfde geldt voor onafhankelijke experts en adviseurs.
Uitgangspunt is dat iemand die betrokken is bij de uitvoering van (een deel van) het beleid, of bij meerdere evaluaties waarop de beleidsdoorlichting is gebaseerd, wel prima kan adviseren of klankborden, maar geen zelfstandig onafhankelijk oordeel vellen over de beleidsdoorlichting. Een mogelijkheid is dan, dat de deskundige die in de begeleidingscommissie (à stap 1E) zit, iemand anders is dan die het uiteindelijke oordeel velt. De geschiktheid van onafhankelijke deskundige(n) wordt altijd afgestemd met de IRF.
Om een goed oordeel te vellen over de kwaliteit van de evaluatie moet de deskundige in ieder geval methodologisch deskundig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan een hoogleraar of iemand die vanuit zijn functie sterk betrokken is bij het uitvoeren van beleidsevaluaties. Daarbij is het nuttig wanneer deze persoon ook kennis van het veld heeft waarop de beleidsdoorlichting zich richt. Het kan lastig zijn om iemand te vinden die op beide terreinen kennis van zaken heeft. In dat geval kun je ervoor kiezen om twee deskundigen te vragen.
Een externe uitvoerder van een beleidsdoorlichting geldt niet als een onafhankelijke deskundige. Dan moet dus alsnog een onafhankelijke deskundige worden ingeschakeld.
Wat doet onafhankelijke deskundige in de praktijk?
Er zijn meerdere mogelijkheden om de rol van de onafhankelijke deskundige in te vullen. Hij of zij kan bijvoorbeeld worden ingeschakeld bij adviesgesprekken, of zitting nemen in een begeleidingscommissie of klankbordgroep, of alleen achteraf een oordeel geven over de kwaliteit van de doorlichting.
Verder geeft de deskundige volgens de RPE “een toelichting op zijn of haar betrokkenheid en inbreng bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting” die ook de Tweede Kamer moet bereiken. Die toelichting kan worden opgenomen in de doorlichting zelf of in een bijlage.
Omdat het fenomeen beleidsdoorlichting voor veel onafhankelijke deskundigen nieuw zal zijn, is het raadzaam om van tevoren het instrument uit te leggen. Deze handreiking kan daarbij van nut zijn.
Waarover oordeelt de onafhankelijke deskundige?
Stap 1E) Stel een begeleidingscommissie in
- Afdelingshoofden of (senior-)beleidsmedewerkers
- Experts op het onderwerp en experts op het gebied van evalueren
- FEZ
- Vertegenwoordigers van ZBO’s en agentschappen als de doorlichting over onderwerpen op hun terrein gaat
- De Inspectie der Rijksfinanciën (IRF) van het Ministerie van Financiën
- De onafhankelijke deskundige die sowieso al bij de opzet en uitwerking van de doorlichting betrokken is [à Stap 1D en 4B]
- Onderzoeksinstituten
- Andere departementen (inc. FEZ) die met het beleidsterrein van doen hebben
- Externe instellingen (bijvoorbeeld universiteit)
2. Opzet en vraagstelling naar de Tweede Kamer
Aan de Tweede Kamer is naar aanleiding van de motie Harbers toegezegd dat zij een toelichting ontvangt op de vraagstelling en onderzoeksopzet van elke beleidsdoorlichting.
Stap 2A) Stuur de opzet uiterlijk een week voor Prinsjesdag in het jaar vóór oplevering
Stuur de opzet uiterlijk een week voor Prinsjesdag in het jaar vóór oplevering naar de Tweede Kamer. Houd rekening met het zomerreces van bewindslieden voor het ondertekenen van de brief over de opzet. Vuistregel is om dit uiterlijk ca. zestien maanden voor de verwachte publicatiedatum te doen en bij een omvangrijke beleidsdoorlichting zo mogelijk eerder. Dan is er voldoende tijd om de reactie van de Kamer goed mee te nemen in de onderzoeksopzet. Dit is met name van belang bij het eventueel uitbesteden van de doorlichting.
Stap 2B) Behandel in de opzet:
Bij brief van 1 juni 2015 heeft de minister van Financiën aan de Tweede Kamer geschreven aan welke inhoudelijke eisen de toelichting op de onderzoeksopzet van een beleidsdoorlichting ten minste moet voldoen:
- De aanpak van de doorlichting;
- Hoe aan de algemene kwaliteitseisen zal worden voldaan;
- Hoe de onafhankelijkheid van de doorlichting zal worden gewaarborgd.
Gebruik als basis het Plan van aanpak.
De TK agendeert de opzet van de beleidsdoorlichting voor een vergadering van de betreffende Kamercommissie. De Tweede Kamer kan vervolgens vragen stellen over de opzet of een voorstel voor aanpassingen of aanvullingen doen en deze per brief kenbaar maken aan de bewindspersoon die over het beleid gaat. Het is gebruikelijk dat de bewindspersoon per brief laat weten hoe de opmerkingen/aanvullingen van de Kamercommissie worden verwerkt.
Ad 1) De aanpak: afbakening en meer
De toelichting op de onderzoeksopzet moet de Tweede Kamer ten eerste inzicht verschaffen in de afbakening van de doorlichting en de wijze waarop de verplichte onderdelen uit de RPE zullen worden uitgewerkt:
- Reikwijdte in de tijd : Wat was het tijdstip van de vorige beleidsdoorlichting, op welke periode heeft de voorgestelde doorlichting betrekking?
- Afbakening : Welk(e) beleidsartikel(en) (en welk(e) onderde(e)l(en) vallen onder de beleidsdoorlichting en welke niet?
|
Voorbeeld toelichting op de afbakening In de opzet van de Beleidsdoorlichting Klimaat is een overzicht opgenomen van alle uitgaven die onder de doorlichting vallen. |
|
In de toelichting: ‘Er zijn ook beleidsinstrumenten die direct of indirect een bijdrage leveren aan het reduceren van broeikasgassen, maar die niet onder de uitgaven van Artikel 19 vallen. Deze beleidsinstrumenten worden al meegenomen in beleidsdoorlichtingen van andere departementen en/of artikelen, zoals bijvoorbeeld de doorlichting van Artikel 2.1 ‘Energie en Bouwkwaliteit’ van het ministerie van BZK (…) Om de samenhang met beleidsinstrumenten die onder andere beleidsartikelen en/of andere departementen vallen te borgen, is gekozen voor een brede begeleidingscommissie met vertegenwoordigers van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, en… [o.a. EZK]. Hiermee wordt verzekerd dat het oordeel over de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van de middelen uit artikel 19 wordt bezien binnen een breder kader. Ook is de ontvangstenkant meegenomen: ‘Naast de uitgaven, zal ook worden gekeken naar de ontvangsten, die gerelateerd zijn aan de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS).’ |
- Geef aan hoe je omgaat met vage of abstracte, of ver in de toekomst gelegen– beleidsdoelen; bijvoorbeeld door deze onder te verdelen in concretere (meetbare) subdoelen. Geef hierin ook aan welke (methodologische) beperkingen of problemen je tegenkomt en welke veronderstellingen of vereenvoudigingen je hiervoor hanteert. Bij recentelijk geïntroduceerd of gewijzigd beleid kun je leunen op de evaluatieparagraaf van de MvT van de beleidsinstrumenten .
- Eventueel tussentijds gewijzigd beleid en/of beleidsdoelen : Hoe om te gaan met beleid dat in de loop van de doorgelichte periode is veranderd, of met gewijzigde beleidsdoelen?
- Geef aan hoe de vijftien vragen van de beleidsdoorlichting (RPE) beantwoord zullen worden. Kun je op alle vragen antwoord geven, ook op de doelmatigheidsvraag? Ook hier kun je mogelijk leunen op de evaluatieparagraaf van de MvT van beleidsinstrumenten
|
Voorbeeld van toelichting bij hoofdvraagstelling (opzet beleidsdoorlichting artikel 19 Klimaat , 2017) |
|
Opzet beleidsdoorlichting De kern van de beleidsdoorlichting zal zijn het verantwoorden van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het klimaatbeleid. Het onderzoek zal door middel van een beleidsreconstructie in kaart brengen wat de doelstellingen van het gevoerde beleid waren en beoordelen in hoeverre het beleid, alsmede de daarmee |